Sunday, July 11, 2004

Konkelhuis / Konkelhuijs

Konkelhuijs in Naarden ______________________________________________________________
Naarden was de tijd ver vooruit. In 1803 was er in het vestingstadje een
Konkelhuijs, nu zouden we zeggen een Coffee-shop. Niet iedereen was daar
gelukkig mee en een Naardense notabele schreef hierover een lange brief 'op
poten' aan de Baljuw van Gooiland. Hij schreef: "Zo genoemde Konkelhuijse,
alwaar niet zelden de Jeugd verlijd en tot wandaaden aangezet word". Als
voorbeeld noemde deze voorname heer een zekere Manus van Rossum. Manus voelde
zich de pineut en zou in 2004 de volgende verklaring hebben gegeven:
"Laat ik mij even voorstellen, mijn naam is Manus van Rossum. Tot mijn 18e
jaar woonde ik thuis bij mijn moeder in de Kloosterstraat te Naarden . 91) In
1803 kreeg ik een betrekking binnen ons stadje. als oppasser trad ik in dienst
bij Baron raab van castein. Per week verdiende ik een stuiver. Na gedane
arbeid ging ik vaak naar het plaatselijke konkelhuijs (2) van Mie Rochel. Mie
woonde samen met haar mooie dochter Maria in de Sint annastraat vlakbij de
Grote Kerk. Om de voordeur te vermijden ging ik steeds stiekem achterom via
het Kerkpaadje. Al gauw raakte ik in de ban van Maria en bovendien verslaafd
aan haar smakelijke coffij. Met een suiver in de week kun je weinig lekkere
koppies coffij kopen. Tijdens het konkelen (3) kwam bij mij een plan op iets
bij te snabbelen. Ik besloot het spaarvarken van Castein's dochter te
slachten. De buit was twee zilveren theelepeltjes en een dito vingerhoed.
Maria ging ermee naar de winkel op de hoek van de Marktstraat /
Gansoordstraat. Daar verkocht zij mijn buit aan de plaatselijke zilversmid
Wijnand Ruijghout. Hij betaalde voor deze spullen 2 gulden en een stuiver. Zo
kon ik weer een tijdje vooruit. Nu ik de smaak te pakken kreeg, haalde ik uit
de camisoolzak van mijn baas een gulden. Castein had het blijkbaar in de gaten
gekregen, want toen ik binnenshuis een dubbeltje opraapte, was het huis te
klein. Mijnheer had het bewust neergelegd en ik was ik de val gelopen. Direct
schreef de Baron een lange brief op poten aan de Baljuw van Gooiland. Hierin
wees hij op de verdervelijke invloed van de konkelhuijsen op de jeugd. De
baljuw nam mij een streng verhoor af. Na afloop moest ik een verklaring
tekenen. Met het puntje van mijn tong tussen mijn tanden, ondertekende ik heel
keurig met Hermanus van Rossum.
Daarna had ik de schrik goed te pakken. Pasd als volwassene, op mijn 24e jaar,
durfde ik weer een konkelhuijs te bezoeken. Mooie Maria heb ik nooit meer
teruggezien".
Noten:
1) Tegenwoordige huisnummers 15 en 17.
2) Soort achttiende eeuwse Coffeeshop.
3) Koffieleuten.
Baron Raab van Catein zag het allemaal anders. Hieronder staat de brief die
hij op 12 september 1803 aan de Baljuw schreef:
"Aan den Heer Mulder, Baillieu van Naarden en Gooijland & & &
Wel Edel Gestrenge Heer,
den Ondergetekende: hoe zeer ook door gevoel van menschenlievde aangedaan,
vind sich egter genoodzaakt, ter bevijliging van Eigendommen en het moogelijk,
ter Uitroeiing van permisente zo genoemde Konkelhuijse, alwaar niet zelden de
Jeugd verlijd en tot wandaaden aangezet word, het volgende ter Uwer kennis te
brengen.
Voor eenige Weeken wierd mij aangedient zekere Manus, de toenaam mij onbekent,
dog hier in de Stad dominilieerende en wel ten huijse van zijn Moeder, omme
voor zeeker tantieme S/Weeks mij te dienen als oppasser en waar meede ik dan
ook contracteerde. Geduurende zijn verblijf bij mij, wierd er van tijd tot
tijd dit en geene bij mij vermist. Daar ik dien jonge niet sluw, geraffineerd
genoeg beschouwde, daar ik hem altoos heb geoordeelt niet geheel en al wel bij
zijn positieve te zijn, konde hem niet inspecteeren te meer daar ik hem
overlaade met weldaaden, dog gepasseerde Woensdag ogtend een gulden uijt mijn
linker camisools sak missende, die ik 's avonds had ingestooken, beproefde ik
hem des nade middags door geld op de grond te leggen en wierd in mijne vreeze
ten zijne opsigte bevestigd toen bij een silversmit hier ter Stede gaande,
herkende ik een nieuwe doorgebrooken eens oude heelen teelepel en vingerhoed
voor mijner en wierd mij door deze man gezegd die goederen daar door zeekere
Mie Rossel verkogt te zijn. Ik liet Maanus dien zelfden avond bij mij ten bij
wezen van mijne Huijsvrouw en zijne Moeder, dat hij , zo genoemt, varken van
mijn dogter, waarin de twee leepels, den vingerhoed, de gulden en een
dubbeltje van mij op de grond gelegd, genoomen had, dat hij dat alles had
gebragt bij die Mie Rossel, die hem dwong en lastig viel, en niet rustte
voordat hij haar geld of goed bezorgde. De wijze op welke hij contesseerde de
.... en geheele consternatie bevestigde mij in meerder, dat hij niet wel bij
zijn oordeel waar. Overigens geef ik aan U Wel Edel Gestrenge Mr. verligt
oordeel, wie hier de meeste schuldigen en voor de maatschappij gevaarlijk is.
Na zijn vertrek mis ik voor als nog niets meerder ... mij in Wel Edel
Vriendschap om mee ... heb ik de eer te zijn
Wel Edel Gestrenge Heer Naarden 12 Augustus 1803
P.s. De moeder van Maanus zal Uw Ed. zeer veel kunnen illustreeren weegens de
conduite van die Mie Rossel, welke mij onbekend is.





posted by gooiland at 10:42 AM
0 Comments:
Post a Comment
<<>

Konkelhuijs in Naarden
________________________________________________________________
Naarden was de tijd ver vooruit. In 1803 was er in het vestingstadje een Konkelhuijs, nu zouden we zeggen een Coffee-shop. Niet iedereen was daar gelukkig mee en een Naardense notabele schreef hierover een lange brief 'op poten' aan de Baljuw van Gooiland. Hij schreef: "Zo genoemde Konkelhuijse, alwaar niet zelden de Jeugd verlijd en tot wandaaden aangezet word". Als voorbeeld noemde deze voorname heer een zekere Manus van Rossum. Manus voelde zich de pineut en zou in 2004 de volgende verklaring hebben gegeven:

"Laat ik mij even voorstellen, mijn naam is Manus van Rossum. Tot mijn 18e jaar woonde ik thuis bij mijn moeder in de Kloosterstraat te Naarden . 91) In 1803 kreeg ik een betrekking binnen ons stadje. als oppasser trad ik in dienst bij Baron raab van castein. Per week verdiende ik een stuiver. Na gedane arbeid ging ik vaak naar het plaatselijke konkelhuijs (2) van Mie Rochel. Mie woonde samen met haar mooie dochter Maria in de Sint annastraat vlakbij de Grote Kerk. Om de voordeur te vermijden ging ik steeds stiekem achterom via het Kerkpaadje. Al gauw raakte ik in de ban van Maria en bovendien verslaafd aan haar smakelijke coffij. Met een suiver in de week kun je weinig lekkere koppies coffij kopen. Tijdens het konkelen (3) kwam bij mij een plan op iets bij te snabbelen. Ik besloot het spaarvarken van Castein's dochter te slachten. De buit was twee zilveren theelepeltjes en een dito vingerhoed. Maria ging ermee naar de winkel op de hoek van de Marktstraat / Gansoordstraat. Daar verkocht zij mijn buit aan de plaatselijke zilversmid Wijnand Ruijghout. Hij betaalde voor deze spullen 2 gulden en een stuiver. Zo kon ik weer een tijdje vooruit. Nu ik de smaak te pakken kreeg, haalde ik uit de camisoolzak van mijn baas een gulden. Castein had het blijkbaar in de gaten gekregen, want toen ik binnenshuis een dubbeltje opraapte, was het huis te klein. Mijnheer had het bewust neergelegd en ik was ik de val gelopen. Direct schreef de Baron een lange brief op poten aan de Baljuw van Gooiland. Hierin wees hij op de verdervelijke invloed van de konkelhuijsen op de jeugd. De baljuw nam mij een streng verhoor af. Na afloop moest ik een verklaring tekenen. Met het puntje van mijn tong tussen mijn tanden, ondertekende ik heel keurig met Hermanus van Rossum.
Daarna had ik de schrik goed te pakken. Pasd als volwassene, op mijn 24e jaar, durfde ik weer een konkelhuijs te bezoeken. Mooie Maria heb ik nooit meer teruggezien".

Noten:
1) Tegenwoordige huisnummers 15 en 17.
2) Soort achttiende eeuwse Coffeeshop.
3) Koffieleuten.

Baron Raab van Catein zag het allemaal anders. Hieronder staat de brief die hij op 12 september 1803 aan de Baljuw schreef:
"Aan den Heer Mulder, Baillieu van Naarden en Gooijland & &amp;amp;amp;amp;amp; &
Wel Edel Gestrenge Heer,

den Ondergetekende: hoe zeer ook door gevoel van menschenlievde aangedaan, vind sich egter genoodzaakt, ter bevijliging van Eigendommen en het moogelijk, ter Uitroeiing van permisente zo genoemde Konkelhuijse, alwaar niet zelden de Jeugd verlijd en tot wandaaden aangezet word, het volgende ter Uwer kennis te brengen.

Voor eenige Weeken wierd mij aangedient zekere Manus, de toenaam mij onbekent, dog hier in de Stad dominilieerende en wel ten huijse van zijn Moeder, omme voor zeeker tantieme S/Weeks mij te dienen als oppasser en waar meede ik dan ook contracteerde. Geduurende zijn verblijf bij mij, wierd er van tijd tot tijd dit en geene bij mij vermist. Daar ik dien jonge niet sluw, geraffineerd genoeg beschouwde, daar ik hem altoos heb geoordeelt niet geheel en al wel bij zijn positieve te zijn, konde hem niet inspecteeren te meer daar ik hem overlaade met weldaaden, dog gepasseerde Woensdag ogtend een gulden uijt mijn linker camisools sak missende, die ik 's avonds had ingestooken, beproefde ik hem des nade middags door geld op de grond te leggen en wierd in mijne vreeze ten zijne opsigte bevestigd toen bij een silversmit hier ter Stede gaande, herkende ik een nieuwe doorgebrooken eens oude heelen teelepel en vingerhoed voor mijner en wierd mij door deze man gezegd die goederen daar door zeekere Mie Rossel verkogt te zijn. Ik liet Maanus dien zelfden avond bij mij ten bij wezen van mijne Huijsvrouw en zijne Moeder, dat hij , zo genoemt, varken van mijn dogter, waarin de twee leepels, den vingerhoed, de gulden en een dubbeltje van mij op de grond gelegd, genoomen had, dat hij dat alles had gebragt bij die Mie Rossel, die hem dwong en lastig viel, en niet rustte voordat hij haar geld of goed bezorgde. De wijze op welke hij contesseerde de .... en geheele consternatie bevestigde mij in meerder, dat hij niet wel bij zijn oordeel waar. Overigens geef ik aan U Wel Edel Gestrenge Mr. verligt oordeel, wie hier de meeste schuldigen en voor de maatschappij gevaarlijk is. Na zijn vertrek mis ik voor als nog niets meerder ... mij in Wel Edel Vriendschap om mee ... heb ik de eer te zijn

Wel Edel Gestrenge Heer Naarden 12 Augustus 1803

P.s. De moeder van Maanus zal Uw Ed. zeer veel kunnen illustreeren weegens de conduite van die Mie Rossel, welke mij onbekend is.

________________________________________

F.J.J. de Gooijer
Voor afbeeldingen en foto's, zie: http://gooiland.vijftigplusser.nl

http


Labels:

0 Comments:

Post a Comment

<< Home